Weg van het cijferen

De titel ‘Weg van het cijferen’ kan als ‘gek op’ en als ‘met minder nadruk op’ worden verstaan. Achter deze tweedeling steekt het algemene onderscheid tussen werktuigelijk versus inzichtelijk rekenen, internationaal aangeduid als de procedurele en de conceptuele richtingen in het rekenonderwijs – een onderscheid dat voor de meeste methodes overigens niet zo scherp valt te maken omdat vele leergangen vaak elementen van beide bevatten.

De geschiedenis van de rekenboeken laat zien dat de hoge waardering van het cijferen in bepaalde perioden welhaast gemeengoed was. Sommige methodes besteedden toen niet minder dan 400 lesuren, ofwel twee volle schooljaren, aan het leren cijferen.

De terughoudende stellingname ten opzichte van het cijferen kon men echter al bij Pestalozzi en zijn volgelingen aantreffen en bij tal van vermaarde rekendidactici en wiskundigen, plus in een aantal methodes uit de 19de en 20ste eeuw. In alle gevallen wensen de bestrijders van het overmatige cijferen meer aandacht voor flexibel (hoofd)rekenen op basis van inzicht in getallen, getalrelaties en toepasbaarheid.

De historisch-didactische analyse heeft betrekking op de rekenboeken die vanaf 1800 werden uitgegeven, zij het eerst uitsluitend voor de hoogste klassen van de basisschool. De didactische reis eindigt in ‘het heden’ tussen 2010 en 2015 toen de eerste versies van de euro-methodes op de meeste basisscholen historie werden.

De speurtocht levert een schat aan didactische inzichten op die ook voor het huidige rekenonderwijs nog van grote betekenis zijn.

Dit boek beschrijft de geschiedenis van ons rekenonderwijs via methodes – een historie waaruit veel te leren valt over zowel de traditionele als moderne rekenmethodes en hun onderwijsresultaten.

Het boek (2015) een uitgave in het kader van het Freudenthal project, Focusgebied Education for Learning Societies, Universiteit Utrecht.